Treinen genoeg

Treinen genoeg

Hij was amper veertig, en zag er keurig verzorgd uit. Niets op aan te merken. Gewoon, spijkerbroek Polo shirt, en een paar gemakkelijke schoenen. Daar lag het niet aan. Maar in zijn hoofd heerste wanorde. Zijn relatie was vijf jaar geleden beëindigd Twee zoons en een dochter waren er uit het huwelijk ontstaan. Het was pure liefde en hartstocht geweest. Maar hoe heeft het zo mis kunnen gaan? Het is niet dat ze elkaar niet meer mochten, niet meer van elkaar hielden. Dat was het eigenlijk niet. Beide een drukke baan, en wisten niet meer waar de dag begon of stopte. Er was ook niemand anders, maar de vonk was er niet meer. Het voelde nog als broer en zus, anders was er niet meer. Totdat het verlossende woord er uit kwam. Vijf jaar geleden. Het perron was leeg, en somber. Hoge bomen aan weerszijde maakte dit nog dramatischer. Zijn kinderen zag hij niet veel meer. Ondertussen in de pubertijd, en is sowieso een moeilijke tijd. Het lag ook niet aan zijn kinderen. Maar een vader die nooit vrolijk kan zijn zoek je niet al te vaak op. Een andere relatie was er nooit meer van gekomen. Niet dat hij nooit meer een poging had gedaan. Maar na een paar keer word je steeds onzekerder. En denk je dat je het niet meer kan op één of andere manier. Maar vandaag was hij ingetogen vrolijk. Vandaag had hij zijn besluit genomen. Hier zou zijn leven eindigen. Voor hem hoefde het niet meer. Niet meer de schijn ophouden. Geen bakken met pillen meer slikken. Het is mooi geweest. Sorry god, of wat er eventueel is. Had je maar een beter stel hersens moeten meegeven. Één sprong, en weg. Weg naar de vrijheid. Het station scheen leeg te blijven tot de volgende trein. Maar het kon hem ook niet schelen wie erbij zouden zijn. Vrij onbeschoft, dacht hij. Maar dan ben ik er toch niet meer. Thuis had hij een duidelijke brief achtergelaten. Daar moesten ze het maar mee doen. Nog geen trein te bespeuren, hij moest nu toch snel komen. Op de grote digitale klok sprong het volgende cijfer voor. Nog vier minuten, dan was het zover. Bijna aan het eind van het perron. Niemand zou het verder opvallen.

Hij stond op van het bankje, en liep wat heen en weer. Tuurde het perron af, en liep dan weer de andere kant op. Nu zag hij in de verte plots een moeder met drie kinderen het perron op lopen. Twee jongens en een meisje kon hij nog net zien. Blijkbaar geen vader. Het deed hem denken aan zijn eigen kinderen lang geleden. Hij wreef zijn oog uit. Het moest een traan van de wind zijn. De kinderen liepen kriskras door elkaar. En waren zeg maar “rot vervelend”. Nog één minuut te gaan. Zijn leven trok aan hem voorbij, en dacht aan de leuke momenten. Want die waren er best geweest. Hij keek nog eenmaal richting het jonge gezin. En in de verte hoorde hij de trein naderen. Twee van de jongens renden achter elkaar aan. De moeder waarschuwde hen te stoppen. Maar dan glijd één van de jongens uit en rolt van het perron. Hans bedenkt zich geen moment, en rent richting het gezin. Hij kijkt over zijn schouder, en ziet de trein nu snel dichterbij komen. Een stoot adrenaline spuit in Hans zijn aders. Zijn hart gaat op topsnelheid. De moeder probeert intussen haar jongen omhoog te rekken. Maar ze kan er bij lange na niet bij. Ze schreeuwt dat hij naar de andere kant moet lopen. Maar hij is pas vier jaar en begrijpt het niet. Zijn moeder, zij is de enige persoon waar hij naartoe kan. Nog tien meter. Hans springt van het perron, en al vallend over de bielzen rent hij door. Zo kan het niet eindigen. Hij is bij de peuter. En pakt hem snel beet. Alsof hij een bal in de korf moet gooien duwt hij hem omhoog. Zijn moeder pakt hem beet, en gooit hem verder het perron op. Klaar om de vreemde redder omhoog te helpen. Ondertussen heeft de machinist alle remmen op de trein gegooid. Piepend en knerpend is er iets van de snelheid af. De trein zou dit station voorbij rijden. Maar nu moet hij stoppen, en dat gaat niet lukken. Niet een derde keer denkt hij bij zichzelf. De jonge moeder steekt haar arm uit naar beneden. Hans moet nu beslissen. Hoe snel kun je denken? Hij laat zich zakken, en springt met al zijn kracht omhoog. De moeder pakt hem bij zijn broek. En weet hem net weg te trekken voordat de trein hem kan raken. Hans zijn hart komt er bijna uit. De moeder zit over hem heen gebogen. Hans kan nog niets uitbrengen. Uitgeput en door emoties overmand ligt hij daar. Moet hij haar bedanken? Maar dat weet zij niet. Zij bedankt hem! Dank je, dank je. In Hans zijn gevoel gaan er minuten voorbij. Jolanda kijkt hem nog steeds aan. De kinderen zijn ondertussen op het bankje gaan zitten. De oudste bewaakt de kleintjes. En zijn allemaal stil. Uiteindelijk helpt Jolanda Hans overeind. Hoe kan ik je ooit bedanken? Niet was Hans zijn antwoord.
‘Kan ik je ergens heen brengen om bij te komen’ informeert Hans.
Eigenlijk heel graag, ‘antwoord Jolanda.’
‘Ik was onderweg naar mijn ouders, maar daar zie ik even vanaf. Ik woon hier eigenlijk vlakbij. Wil je het stuk meelopen?’
‘Ja, dat is goed.’
Samen lopen zij het perron af richting Jolanda’s huis.
‘je man zal wel vreemd opkijken’.
‘Ik heb geen man meer Hans. Deze is vier jaar geleden overleden bij een auto ongeluk.’
‘Oh, sorry dat wist ik niet’.
Aangekomen bij het huis vraagt Jolanda hem naar binnen voor een kop koffie.
‘Of moest je ergens op tijd zijn Hans?’
‘Ik ben er geloof ik al murmelt Hans binnensmonds.’
‘Sorry, ik verstond je niet.’
‘Nee, waar ik naartoe moest kan altijd nog.’
Een jaar later trouwden zij, en zijn nog steeds een gezin.

[wp_ad_camp_1]

About The Author

Martin van Gijn

Other posts by

Author his web sitehttp://martinvangijn.nl

25

09 2011

Your Comment