Hotel

Hotel

Zo onderweg zoek je een hotel. Nu heb je natuurlijk prachtige gidsen om uit te kiezen. Maar nooit in de plaats waar jij bent. Dus ben je toch vaak aangewezen op je eigen ogen. Zowaar kwamen we een stad ingereden met een bordje “hotel route”. Je denkt, dat is mooi. Nu moet het toch snel opgelost zijn. Na een dag rijden ben je toch niet zo helder meer. Eerste hotel, malle Pietje is er niets bij. Rotzooi op de parkeerplaats, en dooie geraniums aan de muur. Doorrijden, dat is niets. Kan me de binnenkant al inbeelden. Een niet al te helder persoon achter de balie, en een douche die niet werkt. Zo doen we nog enkele als: “dit is niets” “deze ook niet” en “voor m’n verdriet niet”. Dan komen we park zicht tegen. Naam is goed, en het aanzicht ook. Snel naar binnen. Entourage is goed. Maar dat zegt niets. Veel spiegels. ‘Wat wilt u’ is de vraag. Nou wat denk je? Ik sta in een hotel, met twee tassen. En het zweet op mijn voorhoofd. Ik wil een paar keer met de lift op en neer, en dan gaan we weer. Ja, een kamer natuurlijk. Roken? Ja, ik vind het nog steeds lekker. Na een korte uitleg, gaan we op pad. De lift heeft spiegels rondom. Ik inspecteer alle wanden van de lift. En kijk daarna omhoog. Mijn vrouw denkt dan al snel dat er iets niet goed is. En kijkt ook omhoog. D’r hangen twee mensen aan het plafon, en een schrik reactie gaat door ons heen. Maar nee, het plafon heeft ook een spiegel. Ik vond de deuren ook al zo ver doorlopen omhoog. Makkelijk als je giraf omhoog wilt krijgen schoot nog door mijn hoofd heen. Dus al lachend gaan we omhoog. Lachen is altijd goed. De kamer, is heet, gewoon ontzettend warm. Het raam staat open, de kachel uit, buiten dertien graden. Binnen bloedheet. Ik gooi het raam helemaal open. Snel alle spullen neergezet, en op weg naar een eettent. Adres hadden we gekregen van de vriendelijke dame achter de balie. Net buiten begint het alweer te regen. Dus je voelt je direct weer thuis. Op een groot plein is een Beierse eetgelegenheid. Er is plek genoeg, en schuiven aan een massief houten tafel. Hier weten ze altijd wel iets leuk in te richten. Oma’s klok, grootte dekenkist, en er zijn wat herten af-geknald. Want de geweien hangen her en der verspreid aan de wand. Geen plaats voor niet vleeseters. Al snel worden we geholpen door een vriendelijk meisje met traditionele kleding. Zo’n enig jurkje met van die pofmouwen. En dan zo alsof iemand er flink aan getrokken heeft. Want de schouders zijn bloot. Bij alles wat je vraagt of doet gaat er een glimlach van oor tot oor. Ik, zo hier de hele avond naar kunnen kijken. Het is niet gemaakt. Elke glimlach is echt. Althans, dat wil ik gewoon geloven. Verbreek die betovering nu niet. We bestellen de vlees platte voor twee personen. En natuurlijk bier. Standaard een halve liter als niets zegt. Het is inmiddels droog geworden, maar dat maakt nu niet uit. Dan komt er werkelijk een schaal naar binnen waar je “U” tegen zegt. Allemachtig, wat een schaal. Toch tamelijk uitgehongerd storten wij ons er op. En vreemd genoeg blijft er niet veel staan. Van thuis meegekregen. “Bordje leegeten hoor” En nog voor een redelijke prijs ook. In Nederland denk je direct dat je de zaak wilt kopen. Nee hoor meneer, het is de rekening. Ik miste de eigendom papieren al. Buiten gekomen is daar de onverbiddelijke regen weer. Zigzaggend komen wij weer terug in het hotel. Het is maar een klein pest kamertje. Twee aparte bedjes. Met een meter tussenruimte. Wat denken ze nu in godsnaam? Dat je met een collega in één kamer gaat liggen. En al zou dat zo zijn, dan zijn er zeker bijbedoelingen bij. Mannelijk of vrouwelijk, het maakt me niet uit. Als het maar leuk wordt zou ik zeggen. Dus die bedjes moeten tegen elkaar staan. Ten alle tijden! En als je als echtpaar dit graag wilt, moet je maar eens nadenken over echtscheiding. Het is nog steeds plakkerig warm. Alsof ze een open haard stoken onder onze vloer. Of boven ons hebben ze een dependance van de hel gevestigd. De nacht verloopt plakkerig. Nee, we zijn in ons eigen bed gebleven. Na negenhonderd kilometer heb ik daar dan toch geen zin meer in. Rond een uur of vijf komen de vogels op dreef. Het heet niet voor niets het Parkzicht hotel! Normaal een heerlijk geluid, maar nu sliep ik net. Zowaar zak ik opnieuw weg op het gezang van de vogels. Maar dan start er een dril boor in de straat naast het hotel. Godsamme, nee niet iedereen heeft vakantie. Ik wens in stilte dat de drilboor ontploft. Er behoeven geen gewonden te vallen. Maar gewoon een uurtje rust. Maar hij gaat in alle hevigheid door. Volgens mij komt Tokio al in zicht. ‘Praten ze al Japans’ wil ik naar beneden brullen. Maar zo goed is mijn Duits nou ook weer niet. Ik doe het raam dicht, en probeer nog een uurtje te pakken. Het Duitse ontbijt ziet er goed uit. Zodra je zit met jou broodje en koffie is het altijd heerlijk om naar de verdwaasde mensen te kijken die na jou binnenkomen. Vooral als ze nog iets laten vallen. Ja, geen beter vermaak dan leedvermaak. Bij de auto aangekomen blijkt de route kaart uit de auto gevallen. Hij is doornat. Het maakt niet uit. Duitsland zijn we bijna uit, en wat fijn dat we Daisy hebben. Dit is de naam van de vriendelijke navigatie stem. Ik heb voor een vrouwelijke stem gekozen. Daar ben aan gewend naar te luisteren. Nog achthonderd kilometer. Dan zullen we de zon weer zien. Je vraagt je wel eens af. Is dit het allemaal waard. Over het antwoord kan ik kort zijn. “JA”

[wp_ad_camp_1]

About The Author

Martin van Gijn

Other posts by

Author his web sitehttp://martinvangijn.nl

16

07 2011

Your Comment