Opa Piet

Rustig reed ik naar het bejaarden tehuis, alsof ik mij al aanpaste aan de gang van de bewoners. Op het parkeer terrein stonden verschillende kleine auto’s. Vrij van wegenbelasting, of bijna nihil. Mijn auto is dan een slagschip in vergelijking. Het zag er vrolijk uit, hier en daar een oranje zonnescherm. Maar geen balkons. Gelukkig kunnen ze niet vrij in het zonnetje zitten, of zomaar over het hekwerk vallen. Ik meld mij aan de balie.

‘Kan ik u helpen?’, Vraagt de persoon achter de balie.
‘Ik hoop van wel, ik kom voor Opa Piet, u weet wel die dikke sigaren rookt.’ Even staat ze me glazig aan te kijken.
‘We zouden een stukje gaan rijden.’
‘We hebben er twee van, u bedoelt Opa Piet Webster van de eerste verdieping?’
‘Ja, dat is hem.’ Kijk in ieder bejaarden tehuis zijn wel Opa’s piet te vinden, en ja… hier ook dus.
‘Hij zou door de afdeling al hier gebracht zijn, maar ik begrijp dat hier nog geen tijd voor geweest is.’
‘Oh, jeetje…dat is vervelend. Neemt u hier plaats, dan bel ik even naar boven.’
Ze belt met boven, en op ietwat belerende toon vertelt ze iemand op de afdeling Opa piet beneden af te leveren. Wachtend op een plastic stoeltje kijk ik wat in het rond. Rekken vol met informatie zijn hier aanwezig. Last van hoge bloeddruk? Last van koude voeten. Heeft u de griepprik al gehad? Ja, het staat er vol mee. Ik kijk nog eens op m’n horloge, tien minuten zijn alweer voorbij. Maar daar is Opa Piet dan. Helemaal glunderend komt hij aangeduwd in een rolstoel.

‘Kijkt u uit met Opa, want hij kan niet zo ver lopen hoor.’
‘Dat gaan wij best redden, hè Opa met een vette knipoog.’
Opa Piet kijkt mij wat verbaasd aan, maar wat kan het hem schelen. We gaan uit het tehuis, dus wat maakt het uit.
‘Dag zuster, voordat de lantaarns aangaan is hij weer thuis.’
Hup naar buiten, weg uit dat muffe tehuis.
We staan al snel buiten, onderweg naar mijn dikke auto. Opa Piet is nog een stevige Opa, brede schouders, en zo te zien een harde werker geweest. Zijn weinige witte haren waren keurig gekamd, maar waaien op het zomer briesje nu alle kanten op. Diepe groeven markeren zijn gezicht.

‘Zeg jongeman, ik zie er naar uit waar we heen gaan, je moet me niet kwalijk nemen hoor. Maar ik heb eigenlijk geen idee meer wie je bent, soms dan ben ik niet zo helder meer.’
‘Nou dat is hetzelfde met mij, ik ben nog wel helder maar ik heb ook geen idee wie u bent.’
Opa Piet schatert het uit van het lachen, ‘maar wie ben jij dan?’
‘Ik ben René, en heb gevraagd naar Opa Piet die van sigaren houdt. En tien minuten later stond u beneden.’
‘oh ho ha ha, en wat gaan we doen dan?’
‘Sigaren roken natuurlijk!’
Bij mijn wagen aangekomen, zet ik de stoel vast op zijn rem.
‘Past de stoel er ook in René?’
‘Natuurlijk Opa Piet.’
‘Laat dat Opa maar hoor, zeg maar “Piet”.’
‘Dat is goed Opa.’
Al snel rijden ze het parkeer terrein af, en glunderend zit Piet naast mij. Lekker hoog, alles goed te overzien.
‘Rijden we hier nu?’
Piet wijst op het scherm met zijn vinger, ‘ja, dat klopt. Het is allernieuwste navigatie.’
‘Fantastisch jongen, geweldig allemaal. Ik had het wel eens in een tijdschrift zien staan, fantastisch!’
‘Hoe oud bent u?’
‘Tweeënnegentig lentes René!’
‘U heeft de oorlog nog meegemaakt?’
‘Jazeker, ik weet het nog als de dag van gisteren.’
‘Waar gaan we heen René?’
‘waar wilt u heen?’
‘Ergens waar water is.’
‘Dat is goed Piet.’
We rijden op ons dooie gemak richting de haven. Het is prachtig weer, en lekker warm. Piet zit heerlijk op zijn gemak, met rimpelige handen op zijn knieën.
‘Heeft u ook een rijbewijs gehad?’
‘Wat dacht je, wacht ik heb het hier nog ergens.’
Piet graait in zijn binnenzak, en haalt er een oude leren verweerde portefeuille uit. Met bevende vingers haalt hij er een nog ouder papiertje uit. De letters zijn vervaagt, maar duidelijk is het stempel nog te zien. De holnietjes waarmee zijn pasfoto op het papier is bevestigd zijn licht verroest, en laten een bruin spoor achter.
‘Kijk dit is het, ik moest toen een auto voor de zaak rijden. Zelf heb ik er nooit eentje gehad.’
‘Mijn kinderen moesten studeren, en koste aardig wat geld. Later is het er niet meer van gekomen. Mijn vrouw is vrij jong overleden, en ik had er geen zin meer in.’
‘je hebt dus nog kinderen?’
‘Ja, dat wel. Maar ik zie ze maar af en toe, meestal rond de kerst. Ze wonen hier ver vandaan, dat gaat zo.’
‘Ik snap het Piet.”
We naderen de haven, en Piet veert op uit zijn stoel. Ik zie een traan in zijn ogen.
‘Dat is lang geleden René, kijk daar aan de overkant heb ik nog gewerkt. Naast die twee grote schoorstenen, twintig jaar gewerkt.’
‘Wat deed u voor werk?’
‘Oh, gewoon operator zoals ze het nu noemen. Het verdiende redelijk, maar wel een sleur. Ik kwam daar terecht na twintig jaar gevaren te hebben. Kinderen werden geboren en zo, je ging toen nog een half jaar of meer van huis. Dat trok mijn vrouw niet, wel te begrijpen natuurlijk.’

Ik parkeer de auto langs de haven.
‘Zal ik uw stoel pakken, dan kunnen we een stukje lopen.’
‘Laat die stoel maar staan joh, ik wil alles wel weer eens van normale hoogte zien.’
De uitstap is vrij hoog, en ik ondersteun Piet op zijn weg naar buiten. Langzaam schuifelend lopen we langs de hoge kade. Opa Piet weet nog van alles te vertellen over de schepen die langs varen, en fabrieken aan de overkant. Een eindje verder staat een bankje, erachter is een stukje gras waar kinderen spelen.
‘Zullen we even gaan zitten Piet?’
‘Dat is goed René.’
‘Ik heb er nog precies twee in het doosje zitten.’
‘Duw die maar terug hoor Piet, ik heb nog wat meegenomen. Heeft u wel eens een Cubaan gerookt?’
‘Ha ja, maar dat is heel lang geleden, dat was in Cuba zelf. Prachtige vrouwen hebben ze daar, die heb ik ook wel geprobeerd moet ik zeggen.’ Opa Piet moet lachen, en alles schud heen en weer.
‘Mooie tijd was dat.’
‘Zullen we dan maar?’
En ik haal een doos “Monte Cristo” sigaren uit mijn binnenzak. Ze zijn relatief licht met een peperige nasmaak. Voorzichtig pakt Opa Piet één van de sigaren, en haalt deze onder zijn neus langs. Terwijl de aansteker er onder brand komen er dikke rookwolken vrij uit Piet zijn mond. Zelf steek ik hem ook aan, en geniet van het aroma. Zo zitten we minuten lang zwijgend aan de sigaren te lurken. Ik zie hem duidelijk genieten van het hele gebeuren.
Tot laat in de middag blijven we op het bankje zitten. Opa Piet vertelt honderd uit. Maar het begint wat kouder te worden, en we lopen weer richting de auto.

Terug in het tehuis komen er al zusters aangelopen.
‘Waar zijn jullie geweest? Opa Piet moet zijn medicijnen hebben. Dat kan toch niet!’
Nu komt Opa Piet omhoog uit zijn stoel.
‘Luister eens stelletje huppel trutjes, Opa heeft net zijn beste medicijn in jaren gehad. Als jullie vanavond ook zo iets lekkers zouden krijgen, zou je wel anders praten. Je kunt het altijd nog vragen aan die Monica van Clinton.’
Verbaasd en met open mond staan de zusters Opa aan te staren.
‘Je moet het Opa maar niet kwalijk nemen’, weet ik nog snel te vertellen. ‘Hij is soms wat in de war.’ Terwijl ik dit zeg, buig ik wat voorover de stoel van Opa, en geef hem een vette knipoog.
‘Tot ziens Opa Piet.’
Terwijl Opa richting lift geduwd wordt, zie ik hem nog omkijken en probeert zijn hand op te steken. Met de zusters al hoofdschuddend er achter aan lopend…..

[wp_ad_camp_1]

About The Author

Martin van Gijn

Other posts by

Author his web sitehttp://martinvangijn.nl

19

11 2010

1 Comments Add Yours ↓

The upper is the most recent comment

  1. Anita van Gijn #
    1

    Geboren schrijver,hoe verzin je het!
    ******
    ik mijzelf zo rijden met opa Piet.
    Moet jou ook wel aanspreken.
    Martin.



Your Comment